Het arrest Besse, gewezen door de voltallige vergadering van de Cour de cassation op 12 juli 1991, beslechtte een vraag waarover de civiele kamers al jaren verdeeld waren: kan een opdrachtgever een contractuele vordering instellen tegen een onderaannemer met wie hij niet rechtstreeks een overeenkomst heeft gesloten?
Het ontkennende antwoord trok een nieuwe grens tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid in contractuele ketens. Om de reikwijdte van deze beslissing te beoordelen, moet de rechtsstand vóór en na 1991 worden vergeleken en moet vervolgens worden onderzocht hoe latere rechtspraak en de hervorming van het Burgerlijk Wetboek in 2016 deze oplossing hebben voortgezet of genuanceerd.
Contractuele ketens en rechtstreekse vorderingen: het juridische kader vóór en na Besse
Vóór 1991 bestonden er binnen de Cour de cassation twee verschillende opvattingen. De eerste civiele kamer aanvaardde dat een onderverkrijger of opdrachtgever een contractuele vordering kon instellen tegen een verderop in de keten betrokken partij. De derde civiele kamer wees deze uitbreiding af op grond van het beginsel van de relativiteit van overeenkomsten.
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende standpunten en de oplossing die de voltallige vergadering heeft gekozen.
| Criterium | Vóór Besse (eerste civiele kamer) | Vóór Besse (derde civiele kamer) | Na Besse (voltallige vergadering, 1991) |
|---|---|---|---|
| Aard van de vordering van de opdrachtgever tegen de onderaannemer | Contractueel (overdracht van de vordering binnen de keten) | Uitsluitend buitencontractueel | Uitsluitend buitencontractueel |
| Aangevoerde rechtsgrond | Groep van overeenkomsten, accessoir aan de zaak | Relativiteit van de overeenkomst (oud artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek) | Relativiteit van de overeenkomst |
| Rechtstreeks contractueel verband vereist | Nee | Ja | Ja |
| Gevolg voor de eiser | Contractueel regime (termijnen, exoneratiebedingen) | Buitencontractueel regime (bewijs van de fout, de schade en het causaal verband) | Buitencontractueel regime |
Door de lijn van de derde civiele kamer te volgen, maakte het arrest Besse uit 1991 een einde aan de theorie van groepen van overeenkomsten voor ketens waarbij geen eigendom wordt overgedragen. De onderaannemer is geen contractspartij van de opdrachtgever: tussen hen bestaat geen contractuele verplichting.

Relativiteit van de overeenkomst en tegenwerpelijkheid aan derden: wat Besse heeft verduidelijkt
Het beginsel van de relativiteit van de overeenkomst houdt in dat een overeenkomst alleen verplichtingen schept tussen de partijen die haar hebben gesloten. Het arrest Besse paste dit beginsel strikt toe op onderaannemingsketens: de opdrachtgever en de onderaannemer zijn elk via een afzonderlijke overeenkomst verbonden met de hoofdaannemer en zijn dus geen partij bij dezelfde overeenkomst.
Deze strikte benadering verhindert niet dat een overeenkomst op een ander vlak gevolgen heeft voor derden. Sinds de hervorming van het verbintenissenrecht, die op 1 oktober 2016 in werking trad, herneemt artikel 1199 van het Burgerlijk Wetboek het beginsel dat een overeenkomst alleen verplichtingen schept tussen de partijen. Artikel 1200 bepaalt daarnaast dat derden de door de overeenkomst geschapen juridische situatie moeten respecteren en zich daarop kunnen beroepen, met name als bewijselement.
Dit onderscheid tussen de bindende werking (voorbehouden aan de partijen) en de tegenwerpelijkheid (ook mogelijk tegenover derden) biedt een wettelijke basis voor de oplossing die Besse heeft geformuleerd. Een derde kan zich niet op de overeenkomst beroepen om de nakoming van een verplichting te eisen, maar kan het bestaan ervan wel aanvoeren in een vordering op een andere rechtsgrond.
Waarom het onderscheid tussen ketens met en zonder eigendomsoverdracht van belang is
Besse heeft uitsluitend betrekking op ketens zonder eigendomsoverdracht, dat wil zeggen ketens waarin hetzelfde goed niet achtereenvolgens van de ene contractspartij op de andere wordt overgedragen. In een keten met eigendomsoverdracht (verkoop van een goed door de fabrikant aan de groothandelaar, vervolgens aan de detailhandelaar en daarna aan de consument) blijft de rechtstreekse contractuele vordering van de onderverkrijger tegen de fabrikant mogelijk. De Cour de cassation had dit mechanisme al in 1986 erkend.
De reikwijdte van Besse hangt dus af van de aard van de keten:
- Keten met eigendomsoverdracht (opeenvolgende verkoop van een goed): de rechtstreekse contractuele vordering van de onderverkrijger tegen de oorspronkelijke verkoper blijft mogelijk, omdat de verplichting als accessoir aan het verkochte goed wordt overgedragen.
- Keten zonder eigendomsoverdracht (onderaanneming, aannemingsovereenkomst): tussen partijen die niet aan dezelfde overeenkomst gebonden zijn, bestaat geen rechtstreekse contractuele vordering. De eiser moet een buitencontractuele fout bewijzen.
- Overeenkomst ten behoeve van een derde (beding ten behoeve van een derde): de derde-begunstigde heeft een eigen recht, dat losstaat van het mechanisme dat Besse heeft afgewezen.
Buitencontractuele aansprakelijkheid en contractuele tekortkoming: ontwikkelingen na 1991
Besse sluit de contractuele route af, maar latere rechtspraak heeft een andere mogelijkheid geopend. De voltallige vergadering oordeelde in 2006 dat een derde zich op een contractuele tekortkoming kan beroepen op buitencontractuele grondslag, mits die tekortkoming hem schade heeft berokkend. Deze oplossing is in 2020 bevestigd.
In de praktijk staat een opdrachtgever die schade lijdt door toedoen van de onderaannemer niet met lege handen. Hij kan een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering instellen en de tekortkoming van de onderaannemer aan diens contractuele verplichtingen tegenover de hoofdaannemer aanvoeren als oorzaak van zijn eigen schade.
Contractuele beperkingen kunnen de schadevergoeding aan de derde begrenzen
Een recentere ontwikkeling verdient aandacht: de vordering van de derde blijft gebonden aan de bepalingen van de overeenkomst. De overeenkomst tussen de hoofdaannemer en de onderaannemer kan exoneratiebedingen of maximumbedragen voor schadevergoeding bevatten. In recente rechtspraak wordt steeds vaker aangenomen dat deze beperkingen ook aan de derde kunnen worden tegengeworpen, zelfs wanneer diens vordering buitencontractueel is.
Dit nuanceert het schijnbare voordeel van de buitencontractuele route. De derde valt voor de kwalificatie van zijn vordering buiten het contractuele regime, maar de overeenkomst waarop hij zich beroept als bewijs van de tekortkoming blijft van invloed op de omvang van de schadevergoeding.

Artikel 1199 van het Burgerlijk Wetboek en de erfenis van Besse: de huidige stand van het recht
De hervorming van 2016 heeft de oplossing van Besse niet uitdrukkelijk in de wet vastgelegd. Wel heeft zij de grondslag waarop deze oplossing berust versterkt. Artikel 1199 verankert de relativiteit van de overeenkomst. Artikel 1200 regelt de tegenwerpelijkheid. Samen leggen deze bepalingen het onderscheid vast dat de voltallige vergadering in 1991 al had toegepast, zonder dat daarvoor een uitdrukkelijke wettelijke grondslag bestond.
Het arrest Besse wordt nog steeds aangehaald in handboeken en rechterlijke uitspraken als het richtinggevende arrest over de afwijzing van contractuele vorderingen in ketens zonder eigendomsoverdracht. De reikwijdte ervan is niet ter discussie gesteld. Latere ontwikkelingen (een buitencontractuele vordering op grond van een contractuele tekortkoming en de tegenwerpelijkheid van exoneratiebedingen) zijn voortgebouwd op het kader dat het arrest heeft vastgesteld, zonder daarmee in strijd te zijn.
Voor juridische professionals is de conclusie dertig jaar later nog altijd dezelfde: bij een geschil over een onderaannemingsketen moet eerst worden vastgesteld of de keten wel of geen eigendomsoverdracht omvat. Die kwalificatie bepaalt op welke rechtsgrond de vordering wordt ingesteld, welke bewijsregels gelden en welke grenzen aan de schadevergoeding worden gesteld.



